21 januari 2018 19:00 uur

Laurenscantorij
Laurensorkest
Wiecher Mandemaker - dirigent
Anneke Bliek - sopraan
Victoria Cassano - alt
Johan Vermeer - bas
Hayo Boerema - orgel

Laurenskerk, Rotterdam

 

J.S. Bach – Alles nur nach Gottes Willen BWV 72

De cantate is op 27 januari 1726 in Leipzig uitgevoerd op de derde zondag na Epifanie. De tekst is van de Weimarer hofpoëet Salomon Franck. Francks tekst is gebaseerd op het verhaal uit de evangelielezing uit Mattheus 8,1-13 dat gaat over de genezing van een melaatse. De grondgedachte is de notie vertrouwen. Naast die genezing is er de vertelling over de hoofdman van Kapernaüm en zijn zieke knecht.

Het openingskoor begint met een instrumentale inleiding waarin de drie orkestgroepen (hobo's, violen en continuo) de verschillende motieven van dit deel exposeren: snelle zestiende noten, die later door het koor worden gezongen op 'alles' om de veelheid ervan uit te drukken, en akkoordblokken op de 1e en 2e tel van de driekwartsmaat, om een andere, statige betekenis te geven aan 'alles'. 
De snelle beweging komt tot rust bij het gedeelte 'Gottes Wille soll mich stillen', het gehele orkest begeleidt nu met kwartnoten op de eerste en tweede tel, waardoor de instrumentale stilte op de derde tel aansluit bij de tekst. Hierop volgen als contrast bij 'Gewölk' de drukke zestiende noten. 

In het hierop volgend altrecitatief vindt er in maat 5 een overgang plaats in een 'arioso', de losse begeleidingakkoorden uit het begin maken plaats voor een doorgaande begeleiding van de solist, beide partijen vullen elkaar aan als ware het een duet. 
Hierop volgt een aria voor altsolo, twee violen en continuo. De alt zet in een levendig tempo (vivace) alleen in, gevolgd door continuo en later door de violen. Contrasten in de tekst, zoals 'Dorn- und Rosenstrassen' beeldt Bach uit in de melodie van de solist: ingewikkelde intervallen in snelle ritmes tegenover milde melodielijnen in rustige beweging. 
Dergelijke tegenstellingen horen we ook in het basrecitatief: 'er stärkt' in een hoge, stralende ligging, tegenover 'was schwach': lage ligging, verlaagde toon, en een wrang akkoord. 

De sopraan-aria begint met een uitgebreide instrumentale inleiding door hobo en strijkorkest. Na een korte sopraansolo ('mein Jesus will es tun, er will dein Kreuz versüssen'), wordt die gehele inleiding herhaald. Hierna weven vocale en instrumentale lijnen zich in elkaar. De begeleiding komt tot rust bij 'soll es doch sanft und still in seinen Armen ruhn'. Na het naspel door het orkest bevestigt de sopraan nog uitdrukkelijk: 'mein Jesus will es tun'

De cantate wordt afgesloten door koor en orkest met het koraal 'was mein Gott will', dat Bach even hiervoor had gebruikt in de gelijknamige koraalcantate BWV 111. Het slotkoraal heeft naast de gebruikelijke 4 koorstemmen nog drie extra 'stemmen' die zelfstandig zijn, namelijk de twee vioolpartijen en de altviool. Hierdoor krijgt de overwinning van Jezus 'und sein Licht' een extra glans.

 

J.S. Bach – Motet 'O Jesu Christ, meins Lebens Licht', BWV 118

De cantorij voerde dit stuk onlangs nog uit in een bewerking voor koor en twee kofferharmoniums. Deze op zich leuke instrumenten hebben echter zo hun beperkingen en de behoefte om dit prachtige stuk nog een keer met orkest uit te voeren was dus ontstaan.

De oorspronkelijke bezetting van het werk was overigens voor koor en blaasinstrumenten. Deze versie, ontstaan in 1736/37, was geschreven voor 2 litui, een cornetto en 3 trombones. De lituo was een instrument dat door de Romeinen al werd gebruikt bij begrafenisrituelen. In Bachs tijd werd er al nauwelijks meer voor gecomponeerd. De bezetting met blaasinstrumenten en het gebruik van de litui kan de aanname dat het bij BWV 118 gaat om een motet, geschreven voor een begrafenis, ondersteunen. Het is zeer wel mogelijk dat deze muziek klonk als processiemuziek tijdens de tocht naar de begraafplaats. In ieder geval zijn met het gebruik van de blaasinstrumenten de praktische voorwaarden daarvoor geschapen.

In 1746/47 instrumenteert Bach het werk opnieuw, nu voor strijkers, basso continuo en de twee litui. Deze versie klinkt vandaag de dag het meest, waarbij de litui dan meestal worden vervangen door trompetten of hoorns. Passend bij de cantatebezetting van vandaag zijn de litui nu vervangen door twee hobo d’amores wat de intimiteit van dit werk zeker ten goede komt.

De tekst van het motet is de eerste van vijftien strofes uit het gelijknamig gedicht van Martin Behm (1557-1622). Dit lied werd in 1611 gepubliceerd in een bundel te Wittenberg. In de vijftien strofes verbindt Behm de laatste gang van de mens met de laatste gang van Jezus.

Uitvoerig staat Behm stil bij diens lijdensweg. Die lijdensweg is dan, naar de opvattingen van die tijd, ook zeer goed te verbinden met de sterfelijkheid van de mens zelf. Hier valt ook wel een kritische opmerking te maken bij het programmeren in deze cantatedienst. Daarom koos ik er bewust voor alleen de eerste strofe van het gedicht te gebruiken. Puur tekstueel laat die strofe zich prima verbinden met de cantatetekst en de gekozen liederen. De structuur van Bachs motet biedt hiertoe ook de mogelijkheid. De vier tekstregels worden voorafgegaan door een uitgebreide instrumentale inleiding. Vanuit dit materiaal construeert Bach kortere tussenspelen tussen de tekstregels. Na de vierde tekstregel keert de inleiding als een ritornel terug. Deze constructie maakte

het mogelijk om meerdere strofes van de tekst te gebruiken. De motieven die Bach gebruikt voor dit ritornel zijn ontleend aan de melodie van het lied. Deze melodie is veel ouder dan de tekst en gebaseerd op de middeleeuwse hymne Rex Christe, factor omnium. De melodie, hoorbaar in de sopraan, beweegt zich voort in secundeschreden. Deze secundes verwerkt Bach stijgend en dalend in het motief dat het gehele ritornel bepaalt. Als alle instrumentale stemmen dit motief gelijktijdig gebruiken ontstaat een prachtig 6-stemmig contrapunt.

In alle eenvoud een geniale en ontroerende compositie.

Wiecher Mandemaker

 

F. Mendelssohn-Bartholdy – Allegro moderato e serioso (Was mein Gott will, das gscheh allzeit), uit Sonate I, Op. 65 No.1:I

Hayo Boerema, hoofdorgel

 

 

 

Toegang vrij, collecte na afloop.

contact

Stichting Laurenscantorij
Postbus 21264
3001AG Rotterdam
06 410 79 452
info @ laurenscantorij.nl (spaties verwijderen)

contactformulier