19 januari 2020 19:00 uur

Laurenscantorij & Laurensorkest
Wiecher Mandemaker - dirigent
Hayo Boerema - orgel
Anneke Bliek - sopraan
Adrian Fernandes - tenor
Johan Vermeer - bas

Laurenskerk, Rotterdam

“Heer, als u wilt, wees goed voor mij in leven en in sterven!”  Zo klinkt het koor in de openingsregels van cantate BWV 73.

Bach schreef dit werk in 1724 voor de derde zondag na Driekoningen. Bachs onbekende tekstdichter kiest als thema de vertrouwensvolle onderwerping aan Gods wil, inclusief de acceptatie van de eigen dood. Komende zondag, 19 januari, geniet je van deze bijzondere toonzetting tijdens de eerste cantatedienst van 2020. De Laurenscantorij brengt nog meer muzikale verdieping met het Abendlied van Rheinberger.

 

TOELICHTING


J.S. Bach – Herr, wie du willt, so schicks mit mir BWV 73
3e zondag na Epifanië

Bachs cantates zijn vanuit meerdere invalshoeken te beschouwen. Een muziektheoreticus kan een gedetailleerde harmonische, melodische en contrapuntische analyse leveren. Een theoloog kan de relatie tussen het Evangelie-gedeelte van de desbetreffende zondag en het libretto uit de doeken doen. Een musicoloog kan u het nodige vertellen over de historische achtergronden. En tenslotte is er de dirigent die al deze kennis zo goed mogelijk tot klinken moet zien te brengen. Eenheid in verscheidenheid. 

Ik ben steeds weer meer verbaasd over het feit dat iedere Bachcantate weer anders is in vergelijking met Bachs andere cantates. Verschillend in structuur en inhoud. De cantate van vanavond vertoont een grote diversiteit aan vormen en toch is er eenheid. Bach schreef deze cantate voor de derde zondag na Epifanie en voerde hem uit op 23 januari 1724. De cantate behoort tot de eerste jaargang. De librettist bewerkt de Evangelielezing voor die dag: Mattheus 8: 1-13. Maar hij doet dat wel op een nogal eigenzinnige manier. Hij haalt alleen de woorden van de melaatse naar voren: 'Heer, als u wilt;kunt u mij rein maken'. En natuurlijk volgt Bach daarin de cantatedichter. Zodat men, met name in het openingskoor, de associatie krijgt met een soort bezweringsmuziek, buitengewoon indrukwekkend. Maar de librettist gaat ook met zijn tijd mee, hij brengt gedachten over de dood ter sprake. Waar hij die gedachte uit het evangelie voor die dag vandaan haalt ontgaat mij, maar soms denk ik heimelijk dat Bach bij deze doodsthematiek op zijn best is: in de basaria (nr. 4) is het weer goed raak.

De cantate-onderdelen In het openingskoor gebruikt Bach een koraal van Kaspar Bienemann (1574), gezongen op de melodie van 'Wo Gott der Herr nicht bei uns hält' (psalm 124, melodie van Luther of uit zijn kring, 1529). Voor de eerste keer horen we in de inleiding een gedeelte, gespeeld door de hoorn. Drie keer wordt het koraal in de vorm van een recitativo accompagnato onderbroken door commentaren, tijdeigen reflecties.
De eerste drie noten van dat koraal zijn van grote muzikale betekenis voor het hele eerste deel: het zijn de noten bes-bes-g-bes. Dit motief klinkt voortdurend, als een soort bezwering, zoals ik boven schreef. Een tweede muzikaal belangrijk gegeven is hiervan afgeleid en wordt door de hobo's gespeeld. Deze twee motieven vormen als het ware de kernen van waaruit het gehele eerste deel is opgebouwd.
Wanneer het koraal in zijn geheel gezongen is en het daarop volgende commentaar van de sopraan beëindigd is, worden de eerste twaalf maten waarmee de cantate begon nog eens herhaald, het koor zingt dan tweemaal de 'bezweringsformule'.


De dan volgende aria (nr. 2) is voor tenor en hobo-solo in de gebruikelijke driedelige vorm. De aria vormt door de toonsoort (Es majeur) een groot contrast met het voorafgaande (g mineur). De vaak herhaalde dalende beweging in hobo en tenor is ongetwijfeld ingegeven door de tekst: 'Senke doch den Geist der Freuden dem Herzen ein'. Kernwoord is 'senke ein': 'doe afdalen'. De vrolijke Es majeur toonsoort is uitdrukking van de 'Geist der Freuden'.
Dat Bach ook nu weer de tekst aandachtig gevolgd heeft blijkt uit het middendeel van de aria, dat begint bij Es will oft bei mir geistlich Kranken. De dalende beweging blijft weliswaar, maar de toonsoort verandert van Es majeur naar c mineur. Bij de woorden zaghaft (beschroomd, weifelend) en wanken (wankelen) beeldt de chromatiek (opeenvolging van halve toonschreden) de onzekere gang van de mens uit.
Dan volgt een kort recitatief (nr. 3) met aangrijpende harmonieën bij de woorden trotzig (arglistig) en verzagt (onverbeterlijk) (afkomstig uit Jeremia 17:9). Het recitatief gaat zonder onderbreking over in de erop volgende aria (nr. 4). Het is een bas-aria met strijkers. In deze aria zien we iets dergelijks als in het openingskoor. De tekst bestaat uit drie strofen (op zichzelf al uitzonderlijk!), elke strofe begint met Herr, so du willt.

En net als in het openingskoor zijn de noten van deze uitroep zeer bepalend voor de aria, maar nu zijn ze niet ontleend aan een bestaande melodie, het is door Bach vrij gevonden. Bovendien is de cadans nu in de vorm van een dansritme in een driedelige maat, in tegenstelling to het min of meer gescandeerde motief uit het openingskoor.

In de tweede en derde strofe worden de intervallen van de driemaal herhaalde uitroep Herr, so du willt steeds groter. De harmonische wendingen volgen de tekst, aan het eind van de tweede strofe klinkt het donkere bes mineur. Het meest dramatisch is de derde strofe, waar de bassolo begeleid wordt door doodsklokken (pizzicati strijkers).
Het slotkoraal is de laatste strofe van het lied Von Gott will ich nicht lassen (tekst Ludwig Hembold 1563, melodie 16 e eeuw). Wel verbaast het dat er aan het slot van de cantate een nieuw koraal klinkt, in plaats van een strofe uit het koraal waarmee de cantate opende.

 

Joseph Rheinberger – Abendlied


Joseph Rheinberger (1839-1901) was tijdens zijn leven een gevierd componist. Na zijn dood in 1901 verbleekte deze roem. Hij was naast componist ook een fameus pedagoog, met name op het terrein van contrapunt, compositie en orgel. Hij deed dat aan het conservatorium van München, waar hij zelf al op twaalfjarige leeftijd als student was toegelaten. In 1864 werd hij solorepetitor bij het Hof en bij de Opera van München. In deze
functie was hij mede verantwoordelijk voor de première van de opera Tristan und Isolde van Wagner op 10 juni 1865 onder leiding van Hans von Bülow.
Als componist ondervond hij invloed van zijn tijdgenoot Brahms en van zijn voorgangers Mendelssohn, Schumann en Schubert, maar vooral van Bach. Hij componeerde naast veel vocaal werk (missen, motetten, oratoria, opera's) veel voor orgel.
Als hofkapelmeester aan het hof van de Beierse koning Lodewijk II had hij een centrale positie binnen de katholieke kerkmuziek in Duitsland, hoewel hij zich onttrok aan de strenge regels die de Caeciliabeweging aan de kerkmuziek stelde.
Toch herkennen we in het motet Abendlied veel van de kenmerken die tot het ideaal van de kerkmuziek behoorden. Het is een gevoelvol, meditatief werk voor 6 stemmig a cappella koor (drie hoge en drie lage stemmen) met zowel homofone als polyfone kernmerken, zonder de grillige harmonische wendingen die in de Romantiek gebruikelijk waren.
Het lied is gedateerd op 9 maart 1855, Rheinberger was nog geen zestien jaar oud toen hij het schreef. Rond zijn vierentwintigste paste hij het motet, zoals dat vandaag nog wordt uitgevoerd, ingrijpend aan.
Het motet is nr. 3 uit Drei geistliche Gesänge op. 69. De tekst is uit Lucas 24:29 over de Emmausgangers.

Barend Schuurman

Toegang vrij, collecte na afloop.

contact

Stichting Laurenscantorij
Postbus 21264
3001AG Rotterdam
06 410 79 452
info @ laurenscantorij.nl (spaties verwijderen)
IBAN NL93 ABNA 0640 7556 66

contactformulier